Sant Surdas, blinde dichter van Krishna bhakti
#De Sants
“Sant”, van Sanskrit “sat¨, verwijst naar een “ware mens”. Een voorbeeld van leven in waarheid. “Iemand die de werkelijkheid, de waarheid kent.” Op heel veel manieren is de Sant traditie uit de 15e eeuw de aankondiging van de bhakti opbloei in de eeuw daarna. De Sants waren “ware mensen¨, religieuze leidersfiguren die hindoes waren en moslim en Sikh. Leraren die zich richtten op De Ene. Uit deze traditie stamt Surdas, blind geboren en dichter van ontelbare bhajans waarvan ongeveer 8000 bewaard zijn gebleven. Vast staat dat Surdas, “Bhakti Kavi Surdas¨, de dichter van de devotionele liefde, een immense invloed heeft gehad op de Bhakti traditie die zich vanaf de 16e eeuw ontwikkelde. Een ontwikkeling die qua tijdvak en verloop best gelijk gesteld kan worden met de plotselinge opkomst van Protestantisme in Europa.
Surdas' levensloop
Algemeen wordt 1258 aangehouden als geboortejaar voor Surdas, maar we weten niet zeker hoe accuraat dit is. 1452 - 1563 is een waarschijnlijker levenspanne. Hij schreef zijn poeëzie in “Braj-bhasa” een volks hindi dialect uit Vrindavana en omstreken. De emotionele kleuring hier is de liefde van een ouder voor een kind en Surdas richt zich dan ook op het beschrijven van Krishna’s spel en vermaak als herdersjongen in Braj. Vaak wordt Surdas verward met Bhilvamangala, een andere blinde bhakti dichter. Surdas werd blind geboren en zijn hagiografieën vertellen voornamelijk over zijn bijzondere, niet-visuele, opmerkingsgave. Surdas is één van de “Acht Zegels” van bhakti poëzie: acht dichters die hun gedichten afsluiten met een regel die hun eigennaam bevat. Surdas is de meest prominente van deze “Aṣṭachāp¨.
De Sursagar, Surdas' bhajan collectie
Surdas is één van de bhakti dichters van wie wordt gezegd dat ze “gopas” waren in Braj, de herdersjongens die de metgezellen waren van Krishna en Balarama in het woud van Vrindavana. De Sursagar (Surdas’s liederenzee) wordt gewoontegetrouw aan Surdas toegeschreven, maar natuurlijk bevat het ook gedichten die werden geschreven na de dood van Surdas. Het is een immense collectie en de focus is op het bezingen van Krishna’s spel en vermaak in Gokula en Braj, vanuit het gezichtspunt van de gopi’s de herderinnen van Braj. Net als de Purana’s is de Sursagar in 12 “canto’s” verdeeld en de vorm die het meest voorkomt is die van de pada, een gedicht met tussen de zes en tien berijmde strofes. Sursagar bevat zo veel, dat makkelijk kan worden gemist dat Surdas ook zijn eigen spirituele worstelingen bezingt.
Surdas en blindheid
Hoewel Surdas in een brahmin familie geboren werd, was het een extreem arme familie. Zijn blindheid voegde daaraan toe. Toen hij zes was ging hij mee met (werd verkocht aan) een groep rondtrekkende kirtaniyas. Een droom kwam tot hem, waarin hij werd opgeroepen zijn leven te wijden aan devotionele poëzie en naar Vrindavana (Braj) te trekken. Wat hij deed. Hij ontmoette de heilige Vallabhacharya, die zijn guru werd. Zijn faam werd gevestigd als recititator van de Bhagavata Purana, die hij uit zijn hoofd kende, waardoor zijn recitatie aspecten van “sruti” traditie aannam. In biografieën wordt de blindheid vaak omgetoverd tot “bovennatuurlijk gevoelig voor indrukken”.
Krishna keert terug met de kudde
Mohan komt er aan met de koeien
Pauwenveren draagt hij als kroon
Een krans van woudbloemen tooit zijn borst
Zijn gordel die hij om de heupen draagt
Zijn tred die je hoort schellen als hij loopt
Daar, temidden van de herdersjongens
Shyam komt er aan, zijn helgele dracht
Als bliksem uit de zwarte wolken