RE THINK ING VISU AL


Langs trekvaarten van Vlaardingen naar Delft bij regen en wind

#

Serieuze wandelingen lopen

In het ene onbewaakte ogenblik vatte ik het plan op om prestatietochten te gaan lopen. En in het andere onbewaakte ogenblik verklaarde ik de Portugese camino te zullen gaan lopen. Dat betekent dat er serieus gaat worden gewandeld rond " huis". Vanuit Rotterdam is er een zekere schaarste aan landschappelijk interessante wandelingen. Een stond al een tijd op het programma en dat was vanaf de tram eindhalte bij Holy via de Vlaardinger Vaart via Schipluiden naar Delft Station. Twaalf kilometer, dus een prettige afstand. De Vlaardinger Vaart ken ik goed, de andere onderdelen van de wandeling waren een avontuur, om Schipluiden heen en dan op Delft af.

Langs de trekvaarten

Tot in de jaren 30 van de twintigste eeuw kon je met de trekschuit van Delft naar Vlaardingen. Een vervoersmogelijkheid met een ijzeren schema, dat intensief werd gehandhaafd. Het was langzaam vervoer, op looptempo, maar beschut, regelmatig, met gegarandeerde aankomsttijden. En geschikt voor vervoer van grotere vracht. Indrukwekkend dat de infrastructuur nog steeds intact is. Dat beseffen ze langs de Vlaardinger Vaart ook en dus zijn er meer herinneringen aan vervlogen tijden: een reconstructie van een overzet, wat informatieborden en het onvolprezen Vlietzicht, waar ik koffie drink.

Regen en wind

Met de wind in de rug en door de regenvlagen heen loop ik na de koffie door. Poncho aan, poncho uit, poncho aan, poncho uit, tot ik het zat ben en besluit dat de regen wel op me mag vallen. De laatste weken heb ik wat dingen veranderd aan het lopen. Andere schoenen gekocht, met meer demping. Een oude Radical Design Hiplite gekocht, zodat mijn torso rechter blijft bij het lopen. Een effect van het stoklopen met de rechterhand is dat ik compenseer aan de linkerkant en dat wil ik voorkomen. Het zorgde voor tendonitis in mijn linkervoet en een hoop pijn. Ik houd me voor dat ik aan het herstellen ben, maar ik loop een zeer aanvaardbare 6 km per uur.

Dwalen bij de Kruithuisweg

Routes met lange rechte stukken en haakse bochten hebben mijn voorkeur en op de eerste helft van de route heb ik mezelf goed bediend. De Vlaardinger Vaart doet zich aan me voor als een schelpenpad op de kade, soms afgewisseld met geasfalteerde stukken fietspad. Alle VoiceVista pings klinken keurig recht vooruit, “op twaalf uur”. Ook de lus om Schipluiden gaat goed, en de Tanthofkade, maar bij de afslag bij de Kruithuisweg gaat het mis. Later laat ik D. de gelopen route zien en ze moet lachen om het wanhopig heen en weer koersen bij een moeilijke fietspad afslag. Maar uiteindelijk kan ik corrigeren en ben ik weer op het spoor van de volgende markering.

Langs fietspaden lopen

Langs fietspaden lopen is de belangrijkste vaardigheid die ik mezelf kon aanleren. Ik herinner me nog de eerste keer op een fietspad, in de buurt van Baarn. Bang was ik. Tot ik bedacht dat als ik naar mijn werk loop, vanuit huis, ik veel meer risico loop op de oversteekplaatsen die ik moet nemen. Er was bewuste mentale oefening voor nodig om vaardig te worden op de fietspaden. Ik ben heel anders tegen “veilig” gaan aankijken nu ik meer buiten de stad wandel. Inmiddels waardeer ik het fietspad meer.

Achteraf

Oorspronkelijk ging de route langs de hele Tanthofkade, maar die is onverhard en bij winterdag een zware klus om met een taststok te lopen. De slingerroute er naar toe, inclusief het verwarringspunt bij de Kruithuisweg, heb ik er uit gehaald. Zo is het nu een route geworden die uit twee grote lange trekvaart-gedeeltes bestaat: de Vlaardinger Vaart en dan het stuk over de Tramkade langs de Gaag. Er is een beweging om Schipluiden heen om op de Tramkade te raken en die is nu ongecompliceerder, met betere rechte hoeken.

Van Vlaardingen naar Delft via de Vlaardinger Vaart en de Gaag

Apeldoorn, een plek voor angst

#

Apeldoorn als angstbestemming

Laatst moest ik achter Apeldoorn zijn, want Marktplaats en iets ophalen. Toen ik de treinreis plande, probeerde ik om Apeldoorn heen te reizen, met ingewikkelde overstappen bij Elspeet. Via Apeldoorn bleek de beste optie te zijn en ik moest mezelf laten wennen aan het idee. Apeldoorn is een teer punt, want daar is Het Loo Erf, waar je kunt revalideren als je als volwassene blind geworden bent. Revalideren betekent: leren hoe je alledaagse dingen doet, koken, de was doen, je werk, rouwen om verlies. Het is intern, je gaat “op gesticht”, met de weekeinden thuis. “Apeldoorn” associeer ik met keihard werken en je ’s avonds in slaap huilen. Aangezien ik weer meer chöd beoefen, houd ik me ook aan Machig-ma’s advies: ga naar de plek waar je bang voor bent. Wel aan!

Het land der blinden

Naar Apeldoorn. In mijn hoofd ging zich onmiddellijk het weekend-reizen afspelen. Met Amersfoort als subtiele grens van het Land der Blinden. Zeist heeft Bartiméus, daar zijn veel blinden te vinden, en ook achter Amersfoort kun je merken dat de blinde mens daar vaker op pad is. Apeldoorn is ook een bestemming waar nogal wat blinden zich in de openbare ruimte wagen. De eerste keer dat ik opmerkte dat ik achter de Amersfoort grens anders werd bejegend dan ervoor, dacht ik dat ik het me verbeeldde. Maar ik verbeeld het me niet. In Amersfoort haal ik koffie bij de kiosk op het overstap perron. Het is troostend dat het nog dezelfde kiosk is op dezelfde plek. Gewoonlijk geef ik altijd heldere instructies: “schuif de beker maar tegen de rug van mijn hand.” Ook altijd moet ik zoeken naar de pin, omdat nooit iemand op het idee komt om tegen me te zeggen: “aan de rechterkant” of zoiets. Maar in de kiosk van Amersfoort zegt de mevrouw: de pin is recht voor je. En ik begin aan mijn instructie, maar vaardig zegt ze: “hier is de koffie, tegen je hand.” In deze kiosk is de blinde mens geen onbekend verschijnsel.

Het knekelveld betreden

Daar was ik dan, Apeldoorn bereikt. Eén van mijn eerste echte mobiliteitslessen was een instructie om het station te bereiken vanuit Loo Erf, de trein te kunnen nemen. En andersom, om aan te komen en de bus te nemen naar Loo Erf. Ik moest aan D. uitleggen hoe dat voelde, destijds en het was een gemengd boeket. Aan de ene kant diepe walging, maar vooral angst bij het me bewegen op straat. Aan de andere kant de wil om zelfstandig van en naar mijn eigen huis, in mijn eigen stad, te kunnen reizen. Het stoklopen wilde ik niet. Ik schaamde me. Ik verlangde en wilde contact. Een tijdlang sloeg elk weekeind een wond, vanwege het moeten reizen. Er was een periode dat ik niet naar huis wilde reizen en in Apeldoorn bleef. Bij elke oversteek, elke overstap, elke interactie intense angst en schaamte.

Autonomie en afhankelijkheid

Ik moet op de bus naar Beekbergen voor mijn Marktplaats afspraak. Het busstation van Apeldoorn is extreem goed aangepast voor blinden. Als altijd heb ik tijd nodig om me te oriënteren. Iemand kondigt zich aan en vraagt of ik hulp nodig heb. Misschien had ik vroeger wel “nee” gezegd. Nu ik veel vaker autonoom wandel buitenaf, maak ik makkelijker en strategischer gebruik van hulp en zie ik het niet als afhankelijkheid maar als een middel tot autonomie. Het doel bij wandelen is om de bestemming te bereiken. Dan doet het “hoe” er ineens veel minder toe. Nu accepteer ik en vraag ik of hij me het halteperron voor de bus naar Beekbergen wil wijzen. Hij haalt iemand voor me, hij is chauffeur, maar er is een speciaal iemand hiervoor. Vroeger en nu. Nu denk ik: mooi, dat scheelt weer energie. Autonomie in de bus: ik vraag de chauffeur de haltemelder aan te zetten in plaats van in te gaan op zijn aanbod me te waarschuwen.

Plaats maken

Apeldoorn is de locus van mijn blindheid. In de bus voel ik zowel verlies als blijdschap, rouw en opluchting. Terugkijken is altijd makkelijk. Wat zijn de patronen en keuzes dan helder. Nog steeds ervaar ik de Loo Erf periode als een worsteling, omdat het dat was. Acceptatie gaat in schokken, plotselinge wendingen. Het is geen lineair proces. Het heeft ervaringen nodig, breekpunten, nare gebeurtenissen, trouvailles, openbaringen. En genade, een zekere mate van gunnen, van plaats maken. Pas toen ik mijn ervaringen drastisch ging uitbreiden door mijn wens te volgen autonoom te wandelen buitenaf, kreeg ik toegang tot wat ik “blind erfgoed” zal noemen. Vaardigheden, tactieken, strategie, de eeuwen door gebruikt om plaats te maken in de wereld van Zienden.

Sant Surdas, blinde dichter van Krishna bhakti

#

De Sants

“Sant”, van Sanskrit “sat¨, verwijst naar een “ware mens”. Een voorbeeld van leven in waarheid. “Iemand die de werkelijkheid, de waarheid kent.” Op heel veel manieren is de Sant traditie uit de 15e eeuw de aankondiging van de bhakti opbloei in de eeuw daarna. De Sants waren “ware mensen¨, religieuze leidersfiguren die hindoes waren en moslim en Sikh. Leraren die zich richtten op De Ene. Uit deze traditie stamt Surdas, blind geboren en dichter van ontelbare bhajans waarvan ongeveer 8000 bewaard zijn gebleven. Vast staat dat Surdas, “Bhakti Kavi Surdas¨, de dichter van de devotionele liefde, een immense invloed heeft gehad op de Bhakti traditie die zich vanaf de 16e eeuw ontwikkelde. Een ontwikkeling die qua tijdvak en verloop best gelijk gesteld kan worden met de plotselinge opkomst van Protestantisme in Europa.

Surdas' levensloop

Algemeen wordt 1258 aangehouden als geboortejaar voor Surdas, maar we weten niet zeker hoe accuraat dit is. 1452 - 1563 is een waarschijnlijker levenspanne. Hij schreef zijn poeëzie in “Braj-bhasa” een volks hindi dialect uit Vrindavana en omstreken. De emotionele kleuring hier is de liefde van een ouder voor een kind en Surdas richt zich dan ook op het beschrijven van Krishna’s spel en vermaak als herdersjongen in Braj. Vaak wordt Surdas verward met Bhilvamangala, een andere blinde bhakti dichter. Surdas werd blind geboren en zijn hagiografieën vertellen voornamelijk over zijn bijzondere, niet-visuele, opmerkingsgave. Surdas is één van de “Acht Zegels” van bhakti poëzie: acht dichters die hun gedichten afsluiten met een regel die hun eigennaam bevat. Surdas is de meest prominente van deze “Aṣṭachāp¨.

De Sursagar, Surdas' bhajan collectie

Surdas is één van de bhakti dichters van wie wordt gezegd dat ze “gopas” waren in Braj, de herdersjongens die de metgezellen waren van Krishna en Balarama in het woud van Vrindavana. De Sursagar (Surdas’s liederenzee) wordt gewoontegetrouw aan Surdas toegeschreven, maar natuurlijk bevat het ook gedichten die werden geschreven na de dood van Surdas. Het is een immense collectie en de focus is op het bezingen van Krishna’s spel en vermaak in Gokula en Braj, vanuit het gezichtspunt van de gopi’s de herderinnen van Braj. Net als de Purana’s is de Sursagar in 12 “canto’s” verdeeld en de vorm die het meest voorkomt is die van de pada, een gedicht met tussen de zes en tien berijmde strofes. Sursagar bevat zo veel, dat makkelijk kan worden gemist dat Surdas ook zijn eigen spirituele worstelingen bezingt.

Surdas en blindheid

Hoewel Surdas in een brahmin familie geboren werd, was het een extreem arme familie. Zijn blindheid voegde daaraan toe. Toen hij zes was ging hij mee met (werd verkocht aan) een groep rondtrekkende kirtaniyas. Een droom kwam tot hem, waarin hij werd opgeroepen zijn leven te wijden aan devotionele poëzie en naar Vrindavana (Braj) te trekken. Wat hij deed. Hij ontmoette de heilige Vallabhacharya, die zijn guru werd. Zijn faam werd gevestigd als recititator van de Bhagavata Purana, die hij uit zijn hoofd kende, waardoor zijn recitatie aspecten van “sruti” traditie aannam. In biografieën wordt de blindheid vaak omgetoverd tot “bovennatuurlijk gevoelig voor indrukken”.

Krishna keert terug met de kudde

Mohan komt er aan met de koeien
Pauwenveren draagt hij als kroon
Een krans van woudbloemen tooit zijn borst
Zijn gordel die hij om de heupen draagt
Zijn tred die je hoort schellen als hij loopt
Daar, temidden van de herdersjongens
Shyam komt er aan, zijn helgele dracht
Als bliksem uit de zwarte wolken

Blinde pelgrims in de Middeleeuwen

#

Pelgrimeren rond Nijmegen

Het plan is om te pelgrimeren rond Nijmegen, de Walk of Wisdom en dan te lopen door ons, blinde pelgrims. Alvast lees ik me in en ontdek dat tijdens de hoogtijdagen van pelgrimage en bedevaart zich een cultureel archief opbouwde rond blinden waaruit we nu nog putten. De vraag die ik mezelf stelde: hoe was het geweest, blinde pelgrim te zijn in de Middeleeuwen? Er waren veel blinde pelgrims op weg, in groepen meestal. Wat waren ze? Godvruchtige boetelingen? Veroordeelde misdadigers? Mensen op wie Gods rechtershand al rust? Ik lees Edward Wheatley’s “Stumbling Blocks Before the Blind - Medieval Constructions of a Disability”. (PDF, helaas)

Reclaiming history

Het is een bittere taak. Tegen I., met wie ik het pelgrimage plan heb opgevat, had ik het over “reclaiming”. Altijd als ik buiten gebaand pad op weg ben, vecht ik tegen het gevoel niet onbegeleid in “de natuur” te mogen zijn. Na Wheatley besef ik waaruit dat verontrustende gevoel voortkomt. Blindheid werd vooral geassocieerd met misdaad en straf. Je gezichtsvermogen kon je worden ontnomen, als gerechtelijke straf. Of om kinderen tot lucratievere bedelaars te maken. De angst om blind te worden is een constante in zowat elke cultuur. In zijn Nawoord besteedt Wheatley aandacht aan de zichtbaarheid van blinden als een factor in het “plaats geven” aan blinden, iets dat in Frankrijk meer gebeurt dan in een land als Nederland (protestants)

Blinde pelgrims op tocht

Met D. bekijk ik een zilverstift studie door Pieter Bruegel van drie blinde pelgrims op weg. “Wat zien ze er competent uit¨, zegt D.: “Niet in lompen, ze hebben goede schoenen”. Het is een groep van drie, waarvan één waarschijnlijk blind gemaakt door het strafrecht. De andere twee hebben andere oogaandoeningen. “Staar misschien”, zegt D. over één van de pelgrims. Ze dragen ieder een vervaarlijke pelgrimsstaf met een speer-achtige punt. Ik bedenk dat ze zich hebben moeten verdedigen. Dat ze in een groep reizen om veiliger te zijn, maar ook om elkaar te ondersteunen, want ik denk niet dat ze alle drie zonder rest-visus zijn. Uit het lezen van Wheatley weet ik inmiddels dat blinde pelgrims alom werden gewantrouwd en veracht. Want misschien waren ze wel helemaal niet blind en deden ze alsof om meer geld binnen te slepen met bedelen. Van blinden werd verwacht dat ze hun blindheid demonstreerden, als zienden daar om vroegen (“Hoe veel vingers steek ik nu op”) Sowieso waren blinden ongunstige figuren, want Gods straf. Wheatley laat zien hoe anti-judaisme (de “blinde joden¨) en blindenhaat twee zijden zijn geweest van de zelfde munt.

Het huis verlaten

Het huis verlaten is geen lichte beslissing als je blind bent. Toen we begonnen na te denken over pelgrimage als thema voor onze hiking retreat, werd ook al snel duidelijk dat het pelgrimeren als blinde je sterk confronteert met het culturele archief van blinden-afkeer. Als ik Wheatley’s boek lees, kan ik moeiteloos het spoor volgen van de Middeleeuwen naar nu. Tot op de dag van vandaag is het mogelijk om in aanraking te komen met diep ambivalente houdingen ten opzichte van blinden. Pelgrimeren gaat altijd over lange lijnen trekken. We gaan een eerste verkenningswandeling doen. Blinde pelgrims met ieder een indrukwekkende staf in de hand.

Een lijntekening van de Drie Pelgrims door Bruegel. We zien drie pelgrims, ieder met een staf en stevige schoenen. Ze zijn op weg in een bergachtig landschap. Ze hebben ook ieder een staf in de hand met een stevige ijzeren punt er aan. Ze houden hun staf vast alsof het een muziekinstrument is. Aan alles kun je zien dat dit ervaren en competente pelgrims zijn.

Lopen van Hollandsche Rading naar Baarn met VoiceVista

#

Start van de wandeling

Meteen in Hollandsche Rading was het intens, omdat je de weg moet oversteken bij de spoorwegovergang en er 200 m op de route geen trottoir is. Ik heb op safe gespeeld en heb gewacht tot er een trein voorbij kwam (kan even duren als je pech hebt) en ben toen overgestoken. Als er een lange rij auto’s wacht is het lopen langs de weg ook iets minder griezelig omdat ze nog niet hard rijden, en grotendeels nog stilstaan. Ik liep voorbij de eerste afslag, maar hij is heel duidelijk.

Lastige fietspaden

Het gedeelte tot aan Lage Vuursche vond ik minder dan het gedeelte erna. Dat komt voornamelijk door de fietspaden naast zandwegen configuratie. Je moet kiezen. In schaars autoverkeer lopen (hoewel het erg druk was op een mooie zondagmiddag) of op het fietspad met snel fietsverkeer. Het was mij bijvoorbeeld een heel stuk van de Karnemelkseweg niet duidelijk dat er een zandweg naast het fietspad was met een berm ertussen. Als je op 2.5 km naar links de Vuursche Dreef neemt, kun je het best oversteken tot de weg en daar links van de weg lopen ipv op het fietspad. Contra-intuitief, maar veel rustiger.

GPS en VoiceVista

In het bos was ik bang dat de GPS rare effecten zou geven en dat was ook zo, maar vooral is het hoe RWGPS en VoiceVista reageren op het GPS signaal. Ik moet de waarschuw afstand voor RWGPS beter afstellen, want nu waarschuwde RWGPS me veel te vroeg voor wendingen in de route. Maar heel vaak ging het precies goed, en hoorde ik het baken in mijn linkeroor op 9 uur en zei RWGPS “turn left”. Dit kan nog worden verfijnd. Het stuk richting Lage Vuursche gaat even door het bos, maar daarna langs de betrekkelijk drukke Karnemelksweg. De bospaden zijn breed en goed te volgen. Ik had mijn stok heel lang, dan is hij langer dan ikzelf. Dit gaf me veel informatie over het pad. Volgende keer neem ik wel een reserve stokpunt mee, want ik was nogal aan het houwen.

Bankjes vinden

De route ging langs het Koos Vorrinkhuis en dat heb ik gegroet, omdat mijn grootouders elkaar bij de AJC ontmoetten. Zonder Koos was ik er niet geweest. Na Lage Vuursche (alle pannenkoekhuizen vol) wordt de wandeling aanzienlijk prettiger, met afwisselend bos en open ruimte zoals deze. Druk in het bos, maar het was niet moeilijk om een plek te vinden voor pauze. Het zou ook goed zijn om rustpunten te kunnen markeren, of in ieder geval een paar. Ze staan op onlogische plekken, meestal van het pad af, dus het was toeval dat ik een bank vond, omdat ik verkeerd liep. Fijn gepauzeerd, maar verontrustend lente-achtig weer.

Langs het fietspad lopen

Het gedeelte hierna, langs de Amsterdamsestraatweg naar Baarn was te enerverend om te fotograferen, blijkbaar. Ik wil zulke kloven altijd snel en efficient overbruggen. Hier kan knipperlicht/fluo ook meer duidelijkheid geven aan omringend verkeer. Volgende keer neem ik dat mee. Ik leer elke keer bij. Ik zie een beetje hoe je dit zou kunnen opzetten, als vrijwilligers verband. En welke dingen je zou moeten voorbereiden, aanbieden etc. De techniek van het stoklopen is ook wezenlijk anders, en er is iets met cadans tijdens het lopen dat ik nu pas begin te ontdekken.

Achteraf

Nog nadenkend. Het lijkt me mooi als de voorbereiding, de route, het lopen en aanpassen, het checken etc, als dat een gemeenschappelijk iets zou zijn. Dat is ook erg in de geest van organisaties als Running/Walking/Rowing Blind en Sailwise. De wederkerige relaties. Ook mensen met een visus beperking die ze zelf niet als slechtziend ervaren, zouden zo ontspannener de natuur in kunnen. Niet steeds op de app kijken, veel minder risico op verkeerd lopen…. Landelijk moet er toch iets te organiseren zijn. Heeft Wandelnet geen innovatie afdeling?

Voor wie zelf wil lopen is hier de aangepaste wandelroute om in te laden in VoiceVista, per 100m een markering


written by a human